De uitspraak van de week

 

Met enige verbazing heb ik zojuist kennis genomen van de beslissing van de rechtbank in het proces tegen Wilders. Die beslissing is op een enkele, belangrijke uitzondering na begrijpelijk en juridisch zeer goed verdedigbaar en werd door de voorzitter helder voor het voetlicht gebracht. Op dat punt heeft de rechtbank haar lesje kennelijk geleerd.  De voorzitter kennende was daar overigens geen mediatraining voor nodig.

In de tv-studio gaf raadsheer Willems een goede uitleg van die beslissing, al zag hij een cruciaal punt over het hoofd. Dat Lidwien Gevers dit eveneens over het hoofd zag, zij haar vergeven. Er komt zelden of nooit een zinnig woord uit haar mond en het is mij volstrekt onduidelijk waarom zij als deskundig journalist naar strafprocessen wordt gestuurd.

De kern van de belissing is dat de preliminaire en bij pleidooi gevoerde weren opnieuw mogen worden gevoerd. Moszkowicz krijgt dus opnieuw alle ruimte om te betogen dat de rechtbank Amsterdam onbevoegd is en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is. Een goede zaak. Maar ook een kansloze zaak, zeker wat betreft het verweer dat de bevoegdheid van de rechtbank raakt. Want de gewraakte rechtbank heeft daarover al een beslissing geveld en op die beslissing valt niets af te dingen. Natuurlijk is de rechtbank Amsterdam bevoegd, omdat ook al zouden de gewraakte uitlatingen door Wilders niet in Amsterdam zijn gedaan, die uitlatingen  via de media hun weg in het land en dus ook in Amsterdam hebben gevonden. Dat Wilders in het eerste proces om strategische redenen in het midden heeft gelaten of hij die uitlatingen ook daadwerkelijk heeft gedaan, zal hem niet baten. Hij had de gelegenheid zich van die uitlatingen te distantiëren en door dat niet te doen, kunnen ze hem in redelijkheid worden toegerekend.

Anders ligt het bij de verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit verweer heeft een extra dimensie gekragen doordat raadsheer Schalken – eufemistisch gezegd – zo “dom” is geweest zich tijdens een diner bij Bertus Hendriks verbaal in te laten met de arabist Jansen.  Schalken was als raadsheer van het Hof betrokken bij de beslissing om Wilders te vervolgen en Jansen was één van de getuige-deskundigen die in het strafproces zijn zegje mocht doen. Of er daadwerkelijk druk is uitgeoefend door Schalken op Jansen is, zo merkte Moszkowicz terecht op, niet wezenlijk. Waar het inderdaad over gaat is of Schalken heeft geprobeerd Jansen te beïnvloeden. Dat is een kwestie van interpretatie.

De officieren van justitie in deze zaak hebben tijdens de regiezitting op goede gronden aangegeven dat een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet aan de orde is, ook al zou artikel 6 EVRM van toepassing zijn op de beklagprocedure en ook al zou er sprake zijn van een poging van Schalken om Jansen onder druk te zetten. Merkwaardig is echter dat de rechtbank in haar beslissing eerst over het prelimiaire verweer oordeelt en vervolgens na afwijzing er van de getuigen Schalken, Jansen en Hendriks wenst te  horen. Merkwaardig omdat dat horen geen zin meer lijkt te hebben wanneer het prelimiare verweer is verworpen. Dan immers kan de rechtbank al hebben vastgesteld dat naar haar oordeel de gebeurtenissen tijdens het etentje geen juridische implicaties hebben voor de beslissingen die in het strafproces tegen Wilders moeten worden genomen. 

Door deze gefaseerde behandeling zal het strafproces tegen Wilders rommelig worden. Moszkowicz wordt nu min of meer gedwongen om in zijn preliminair verweer dat is gericht op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie met een ruime bocht om de vervolgingsbeslissing van het Hof heen te gaan en zich te beperken tot de omvang van die beslissing en de wijze waarop het Openbaar Ministerie daaraan gevolg heeft gegeven. Eerst bij pleidooi kan hij dan die beslissing zelf aanvechten, waarbij zijn verweer – als gezegd – mogelijk al bij voorbaat kansloos zal zijn. Bovendien heeft de rechtbank door de oproeping van Schalken en Jansen ambtshalve te bevelen, de regie bij het horen in handen genomen.

Proceseconomisch is de beslissing van de rechtbank aanvechtbaar. De rechtbank had eerst de getuigen Schalken, Jansen en Hendriks moeten horen en daarna de verdediging gelegenheid moeten bieden om het preliminaire verweer daarop af te stemmen. Dan was de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in volle omvang aan de orde gekomen. Nu dreigt Wilders in zijn verdediging te worden geschaad en kondigt het volgende procesincident zich aan.

Copyright@Wedzinga2011

 

 

Op 8 juli 2010 heeft het Hof Leeuwarden een uitspraak gedaan, die de gemoederen danig bezig houdt. Dat komt omdat de man die het Hof veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (mede) in die uitspraak aanleiding heeft gevonden om zelfmoord te plegen. Aangenomen mag namelijk worden dat de man niet verwacht had dat het Hof tot een dergelijke strafoplegging zou komen, omdat de Advocaat-Generaal bij het Hof “slechts” een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf had geëist. Volgens berichten in de media zou de advocaat van de man, mr. J.B. Pieters, hebben gezegd het “wrang” te vinden dat het Hof een advies van deskundigen had “genegeerd”. In dat advies kwam naar voren dat de man suïcidaal en detentieongeschikt was. 

Uit de uitspraak blijkt echter dat het advies wel degelijk heeft meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak. Het Hof overweegt namelijk dat uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog (onder meer) blijkt:

“dat verdachte een man met een benedengemiddelde intelligentie (is) die erg afhankelijk is van de aandacht en beschikbaarheid van een ander. Die heeft hij nodig voor zijn eigen zelfgevoel. Hij is latent suïcidaal. Verdachte heeft in de periode waarin de bewezen verklaarde feiten plaats vonden zowel alcohol als benzodiazepines (rustgevende middelen) misbruikt en was toen onder invloed van die middelen. Hij heeft een persoonlijkheidsstoornis met borderline en afhankelijke trekken. Dit uit zich in reactieve somberheid bij verlating en krenking. De reactie bestaat uit su?cidepogingen met als primair doel zich te verzekeren van de aandacht van anderen. Verdachtes klachten zijn in de periode na de bewezen verklaarde feiten verergerd. Hij is nog afhankelijker geworden van zijn partner dan voorheen. Vergeleken met het in 2007 opgemaakte rapport is zijn beperking in sociaal en relationeel functioneren toegenomen. Betrokkene komt in feite zijn huis niet meer uit. Hij is al vier jaar onder behandeling van de AFPN en maakt geen progressie. Volgens psychiater Coutinho is verdachte op basis van het huidige onderzoek detentieongeschikt, maar heeft detentieongeschiktheid altijd een tijdelijk karakter. De mate van detentieongeschiktheid hangt niet alleen af van de medische en psychiatrische diagnose, maar ook van de uitvoeringsmogelijkheden van een vrijheidsstraf. Deze factoren kunnen in tijd als variabelen worden gezien”

Vervolgens ziet het Hof hierin aanleiding de duur van de strafoplegging “enigszins” te matigen, omdat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. In plaats van zes jaar zou het Hof dus een nog hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben opgelegd. Het Hof heeft het advies dus niet genegeerd en ik vermoed dat de advocaat bedoelde te zeggen dat het Hof te weinig rekening heeft gehouden met de rapportages. Het woord “negeren” is voor meerdere uitleg vatbaar.

De uitspraak van het Hof illustreert de zelfstandige positie van de zittende magistratuur ten opzichte van de staande magistratuur. Vaak, te vaak, wordt in de media de eis van het OM vereenzelvigd met de uitspraak van de rechters of wordt het beeld geschapen dat rechters niet boven de eis mogen uitgaan. Dat is een hardnekkig misverstand. Rechters mogen een andere en/of hogere c.q. zwaardere straf opleggen dan het OM heeft wenselijk acht. In dit geval is het zelfs verklaarbaar, omdat het Hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de Advocaat-Generaal. Waar laatstgenoemde zijn eis baseert op het feit dat de man zijn ex en haar buurman (de beide slachtoffers , WW) had “bedreigd”, oordeelt het Hof dat er sprake is van een poging tot dubbele moord. Een aanmerkelijk zwaarder misdrijf waarop een aanzienlijk hogere gevangenisstraf staat.

Dat neemt niet weg dat een strafoplegging van zes jaar (met aftrek) fors is. Niet alleen omdat ook ik vind dat met de rapportages te weinig rekening is gehouden (maar dat is een kwestie van smaak), maar ook omdat ik de bewezenverklaring aanvechtbaar vind. Dat het OM het in de dagvaarding heeft over “afvuren” is nog tot daaraan toe, al blijft het bij het overhalen van de trekker en een “klik”. Een rechter kan een ongelukkig geformuleerde tenlastelegging echter zo interpreteren dat de bedoeling van het OM beter uit de verf komt. Dat heeft het Hof ook gedaan. Het komt zelden voor dat dergelijke vormfouten worden afgestraft door de rechter, hoewel ook op dit punt hardnekkige misverstanden bestaan. Het Hof gaat in zekere zin zelfsnog verder door het primair ten laste gelegde feit voor alle zekerheid als impliciet subsidair te lezen. Primair moord, subsidiair doodslag. Niet ongebruikelijk, maar bij een poging wel een tikje geforceerd.

Maar het Hof maakt m.i. de fout door er een “dubbele” poging tot moord van te maken, terwijl ik uit de verklaringen afleid dat de man het geweer uitsluitend op de buurman had gericht. Zijn voormalige echtgenote stond weliswaar “pal” naast haar buurman, maar de overwegingen van het Hof zijn op dit punt niet strak genoeg. Mogelijk was de intentie van de man om ook zijn ex van het leven te beroven, maar het gaat bij poging vooral om de “uiterlijke verschijningsvorm”. Wanneer het Hof duidelijk en overtuigend tot uitdrukking had gebracht dat ook de vrouw mikpunt was, had ik met de uitspraak minder moeite gehad. Mogelijk heeft het Hof in de verklaring van de vrouw gelezen dat de man al bij binnenkomst van haar en de buurman de trekker heeft overgehaald, maar dat komt in ieder geval niet in het arrest uit de verf. Als de man in cassatie was gegaan, had hij op dit punt een goede kans gemaakt met een middel dat klaagt over de bewijsmotivering. Het punt van de strafoplegging was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in cassatie kansloos.

Dat maakt de zelfmoord van de man wrang. Nog wranger dan het op zichzelf al is. Een betwistbare strafoplegging, vooral omdat de bewezenverklaring naar mijn overtuiging onvoldoende steun vindt in de getuigenverklaringen. Maar het meest wrang vind ik nog dat rechters (en officieren) zich kennelijk niet beseffen welke impact hun oordeel heeft. Toen ik raadsheer was bij het Hof Leeuwarden, moest ik daaraan wel eens denken en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik vind dat ik daar te nonchalant mee omging. Voordat ook daarover weer misverstanden ontstaan (in de media wordt slecht gelezen en overheerst de sensatiezucht) merk ik op dat ik nimmer “maar zo” iemand een straf heb opgelegd, maar latere ervaringen hebben mij geleerd hoe indringend zelfs een kleine straf kan zijn. Eigenlijk zou iemand die door een dergelijke straf wordt overvallen, psychisch moeten worden opgevangen als er aanwijzingen zijn dat hij of zij psyschische problemen heeft. Dat zou nog eens een mooie taak zijn voor de reclassering, maar dat zijn de handlangers van het OM geworden. Misschien een taak voor slachtofferhulp dan? Ik denk van wel, omdat ook deze trieste zaak laat zien hoe inwisselbaar de rollen van dader en slachtoffer zijn.

Copyright@Wedzinga2010

 

 

Met enige regelmaat zal ik onder de noemer “nieuws van de dag” aandacht schenken aan onderwerpen die in de media worden belicht. De bedoeling is om van mijn kant die aandacht juridisch te duiden. Veel berichten in de media over strafrechtelijke relevante onderwerpen zijn incorrect, misleidend en/of verschaffen een vertekend beeld. Vandaag een begin, waarbij ik bij wijze van uitzondering kort in ga op berichten die al een paar dagen oud zijn.

1. Op dinsdag 6 april j.l. kopte De Telegraaf “Gebruik videobewijs aan banden”.

Als gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad zouden volgens de VVD “straatrovers, inbrekers en zakkenrollers vrijuit dreigen te gaan indien in hun strafzaak gebruik wordt gemaakt van beelden van bewakingscamera’s”. Als trouwe lezer van uitspraken van de Hoge Raad was ik enigszins verbaasd. Had ik deze op het eerste gezicht verstrekkende uitspraak over het hoofd gezien? Mijn verbazing ging gepaard met scepsis omdat Fred Teeven als geschokt kamerlid van de VVD in de krant van Wakkeer Nederland werd opgevoerd. Als Teeven aan het woord is, gaan bij mening rechtgeaard jurist de alarmbellen af!

Teeven is weliswaar voormalig officier van justitie, maar geen echt jurist. Nuances van rechterlijke beslissingen ontgaan hem en zijn motto lijkt te zijn: “Het doel heiligt de middelen”. Daarvan bleek mij al toen hij een keer een cursus die door mij werd gegeven moest volgen. Teeven is een omhooggevallen belastingsambtenaar en heeft zich vooral doen kennen als een crimefighter pur sang. Dat soort officieren, die tegenwoordig binnen het Openbaar Ministerie de dienst lijken uit te maken, pleegt doorgaans niet door juridische kennis, maar meer door scoringsdrift uit te blinken.

Zo ook nu. De beslissing van de Hoge Raad is te vinden onder LJN:BK6331 en die beslissing gaat helemaal niet -ook niet indirect- over het bewijs van videobeelden en bewakingscamera’s. De Hoge Raad past gewoon de wet toe en oordeelt dat een officier van justitie niet het recht heeft om privacy-gevoelige informatie als bijv. foto’s van (willekeurige) burgers op te eisen en in beslag te nemen. Het gaat dus om de mogelijkheid tot inbeslagneming. Dat laat uiteraard onverlet dat als er bruikbare videobeelden zijn, die beelden voor de opsporing en eventueel voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Ook het opvragen van privacygevoelige informatie is mogelijk, maar daarbij is de wetgever zo wijs geweest  dat uitsluitend in de wat zwaardere gevallen ”gevoelige”  informatie over een ieder -verdacht of niet- die die op de beelden staat, door het Openbaar Ministerie mag worden opgevraagd. 

Denkelijk is de kritiek van Teeven c.s. niet alleen op een zekere juridische blindheid of gemakzucht gebaseerd, maar  mogelijk mede is zij mede geïnspireerd door de weinig magistratelijke gedachte dat politie en justitie in hun poging om strafzaken op te lossen te veel door wetgeving en rechtspraak worden gehinderd. Een gedachte die voor te veel leden van het Openbaar Ministerie richtingevend lijkt te zijn. Zo gezien is de commotie een demagogische poging om de regering en de kamer op het verkeerde been te zetten en de mogelijkheden tot inbeslagneming te verruimen. In het huidige klimaat is het niet ondenkbaar dat die poging nog zal slagen ook. Want juridische scherpslijpers zijn in de kamer niet te bekennen (behalve misschien De Roon, maar die zit wat mij betreft bij de verkeerde club) en rechtsstatelijke beginselen zijn door regering en parlement al lang geleden verkwanseld. Gelukkig zal die poging, gelet op artikel 8 EVRM, altijd stranden op een veto van het EHRM. Teeven werd onlangs door Professor Willem Wagenaar in HP/De Tijd een “gevaar voor de rechtsstaat” genoemd. Ik ben het daar volledig mee eens.  

2. TBS-systeem onder vuur

Het tbs-systeem in Nederland verkeert in zwaar weer. Uit de uitzending van Peter R. de Vries van zondag 4 april j.l. bleek dat een tot levenslang veroordeelde kindermoordenaar Koos H. inmiddels in een tbs-kliniek was ondergebracht en daar naar pornofilms zat te kijken. En de ouders van het ontvoerde en misbruikte meisje Hannah uit Ede willen via een zogeheten burgerinitiatief het tbs-beleid in Nederland wijzigen om te voorkomen dat weigerachtige observandi de maatregel van tbs kunnen ontlopen. Er zijn inmiddels zoveel handtekeningen binnengehaald, dat het onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer komt te staan.

Een even begrijpelijke als zinloze actie van de ouders en sympathisanten. Het recht om niet mee te werken aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek mag iemand niet worden ontzegd en de huidige wetgeving maakt het al mogelijk dat ook aan weigerachtige obervandi de maatregel van tbs kan worden opgelegd. Vanzelfsprekend zal de animo om die maatregel op te leggen onder rechters niet groot zijn, maar ook dat is begrijpelijk en zal niet veranderen. Wel zal vermoedelijk de neiging toenemen om de reden tot weigering te onderzoeken en zal er meer druk ontstaan om van oude rapporten gebruik te mogen maken, ook zonder toestemming van de betrokkene. Die laatste optie is mijns inziens nog het meest kansrijk en op dat punt zou de Tweede Kamer actie kunnen ondernemen.

En wat de “geile” Koos H. betreft, begrijp ik werkelijk niet waar men zich druk over maakt. Zolang het niet zoiets als kinderporno betreft, zie ik er weinig kwaad in, zeker niet als iemand op een long stay-afdeling is geplaatst. Misschien is het zelfs wel goed, omdat het voor de gedetineerde de mogelijkheid biedt om de opgekropte spanning te ontladen en de behandelaars wellicht enig inzicht kan geven in de psyche van de veroordeelde. Wat mij frappeerde was meer hoe het mogelijk is dat iemand die een “kale” gevangenisstraf krijgt, in een tbs-kliniek terecht komt. Misschien een een-tweetje tussen de advocaat en justitie? Koos H. bleek tegenover reclasseringsambtenaren te hebben toegegeven dat hij de drie meisjes had vermoord. Hoeveel waarde aan deze “bekentenis” moet worden gehecht, weet ik niet. Want het is goed denkbaar dat H. in ruil voor deze bekentenis, naar de tbs-kliniek werd overgeplaatst, waar hij wellicht hoopt op gunstige rapportages die hem in de toekomst bij bijv. een gratieverzoek kunnen helpen.

Wedzinga@copyright2010

 

Op de website van rechtspraak.nl is de volgende mededeling te vinden:

“Groningen, 22 januari 2009 – Het hof Leeuwarden heeft twee verdachten veroordeeld tot respectievelijk twaalf en negen jaren gevangenisstraf, omdat zij een viertal mannen opzettelijk en met voorbedachten rade hebben besmet met het hiv-virus en bij een vijfde man een poging daartoe hebben gedaan. De verdachten organiseerden in de periode van 1 juli 2005 t/m 31 december 2006 te Groningen seksfeesten voor homoseksuele mannen. Tijdens verschillende van deze feesten werden de slachtoffers ingespoten dan wel geïnjecteerd met het hiv-besmette bloed van één van de verdachten. De verdachten hebben zich bovendien schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet en één van de verdachten is tevens veroordeeld ter zake van een zedendelict en verduistering van goederen in dienstbetrekking. Een derde verdachte is alleen veroordeeld ter zake van overtredingen van de Opiumwet”.

Een opmerkijke uitspraak? Of toch niet?

 

Na het arrest van het EHRM in de zaak Salduz, waar ik in een eerder bericht aandacht aan heb geschonken, komt de Hoge Raad op 30 juni 2009 in een drietal arresten met de Nederlandse vertaalslag van de Straatsburgse uitspraak. Die vertaalslag is niet verrassend, want tamelijk terughoudend en in lijn met het advies van A-G Knigge. Waar het op neerkomt is dat de verdachte aan artikel 6 EVRM het recht ontleent vóór het eerste politieverhoor een advocaat te mogen consulteren en dat hij ook op dat recht dient te worden gewezen. Wanneer de verdachte voor het politieverhoor niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te consulteren, mag zijn bekennende verklaring in beginsel niet voor het bewijs worden gebruikt en dat geldt eveneens voor bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtsreeks gevolg van die verklaring. 

Dat klinkt als een zuinige, maar heldere boodschap. Maar door het inbouwen van allerlei mitsen en maren wordt de boodschap door de Hoge Raad behoorlijk vertroebeld en dreigt er van het door de Hoge Raad toch al “ingesnoerde” recht op rechtsbijstand weinig over te blijven. Lees verder

Contact informatie

Van maandag t/m vrijdag
tussen 09.00u en 17.00u

+31 (0)50 - 364 14 37

Bij afwezigheid:
+31 (0)6 - 278 31 550

Overige informatie

Wedzinga TV

Justice for All

Quote Rotator

Loading Quotes...

Site Info

Deze site is
geoptimaliseerd voor:

IExporer 7
IExporer 8
Google Chrome
Firefox


Voor het bekijken van .pdf bestanden heb je de gratis Acrobat Reader nodig.

Neem contact op met de webmaster indien er problemen zijn met de site. Stuur uw email naar: goldensecret@gmail.com
Get Adobe Flash playerPlugin by wpburn.com wordpress themes