Het klunzige pleidooi van de advocaat van Joran van der Sloot
13 januari 2012Vanmiddag om 4 uur doet de rechtbank in Peru uitspraak in de zaak tegen Joran van der Sloot. Die uitspraak zal weinig verrassend zijn. Een gevangenisstraf van om en nabij de 25 jaar en een boete van naar verwachting 50.000 euro. Zijn advocaat, José Jiménez Navarro, hoopt op 21 jaar. De praktijk in Peru is dat bij een volledige bekentenis of “sincere confession” zoals het daar wordt genoemd, ongeveer een zesde van de eis af gaat. Van die straf hoeft Joran als hij zich goed gedraagt naar verwachting slechts een derde uit te zitten. Al met al zal hij dus na een jaar of 10 de deur uitlopen. Nou ja, “uitlopen”? Vermoedelijk zal hij linea recta naar het vliegveld worden gebracht waarna hem het volgende proces te wachten staat. De oplichting van de moeder van Natalee Hollow...
Lees verderStrafproces Joran van der Sloot: Aankondiging
4 januari 2012Vrijdag 6 januari 2011 begint het geruchtmakende strafproces tegen Joran van der Sloot. Van der Sloot wordt beschuldigd van een brute moord op het Stephany Flores. Het proces wordt gevolgd en van deskundig commentaar voorzien door een Peruviaanse advocaat, Sandro O. Monteblanco. Monteblanco is een kenner van het Peruaanse strafrecht en strafprocesrecht en is als CEO en Senior Partner verbonden aan Law Offices of Montblanc & Associates, LLC in Lima (Peru). Monteblanco treedt bij tijd en wijle op in Amerikaanse nieuwsprogramma’s (ABC) om juridische informatie te verschaffen over het proces. Hij zal ook via deze website de ontwikkelingen in kaart brengen. Volgens Monteblanco heeft Joran van der Sloot enkele troefkaarten achter de hand en kan nu al worden gezegd dat de ops...
Lees verderSchending raadkamergeheim: Hoge Raad oordeelt dat OM en rechters in de fout zijn gegaan
28 december 2011Vanmiddag is er een persbericht uitgegaan in verband met een uitspraak van de Hoge Raad in een zaak waarin ik wegens schending van het raadkamergeheim terecht stond. Die uitspraak komt er - kort gezegd - op neer dat de strafvervolging en de diverse veroordelingen de schijn van partijdigheid hebben gewekt. De tekst van dit persbericht heb ik in hieronder staan. Omdat een persbericht per definitie beknopt moet zijn, licht ik de gang van zaken rond de uitspraak toe. Persbericht Hoge Raad zet streep door veroordeling voormalig raadsheer De Hoge Raad heeft een veroordeling van voormalig raadsheer Wicher Wedzinga wegens schending van het raadkamergeheim ongedaan gemaakt (zie LJN: BU 3447). In een unieke en opmerkelijke uitspraak zegt het hoogste rechtscollege dat de vervolging en ve...
Lees verderBeslissing spreekrecht in zaak Robert M. juridisch ondeugdelijk en riskant
15 december 2011De rechtbank Amsterdam gunt de ouders van de slachtoffers van Robert M. het spreekrecht. Maar een wettelijke basis daarvoor bestaat niet. Sterker nog: de wetsystematiek verzet zich tegen het toekennen van een dergelijk (afgeleid) spreekrecht en een wetsvoorstel om dat spreekrecht wel te regelen is nog in de maak. Volgens de rechtbank zou er sprake zijn van een “uitzonderlijke situatie”, die deze beslissing rechtvaardigt. De reden is dat naleving van de wet in dit geval een ongewenste situatie op zou leveren, aldus de rechtbank. Vrijwel alle slachtoffers in de zedenzaak zijn namelijk zeer jong en niet in staat zich uit te drukken. Strikte naleving van de wet zou daarom tot ongewenste resultaten leiden en derhalve komt de ouders van de zeer jonge slachtoffers spreekrecht toe. Daar...
Lees verderBeperking bronbescherming journalisten noodzakelijk
8 november 2011Het is vloeken in de kerk, ik weet het. Maar het is meer dan ooit wenselijk en noodzakelijk aan het verschoningsrecht van journalisten duidelijke grenzen te stellen. Want de vrijheid van meningsuiting waarop het journaille zich zo gretig beroept, is uitgemond in een vrijbrief om met een beroep op anonieme bronnen mensen aan de schandpaal te nagelen. In het tv-programma Zembla werd de Telegraafjournalist Martijn Koolhoven ontmaskerd, die met een beroep op niet bestaande anonieme bronnen karaktermoord pleegde op fotograaf Leo de Deugd, met wie een vriend van Koolhoven nog een appeltje te schillen had. Het doet denken aan de praktijken van Rupert Murdoch en zijn schandaalblad News of the World. Wie meent dat het in ons land zo’n vaart niet loopt is naïef. De koppensnellers en journa...
Lees verderVanmiddag om 4 uur doet de rechtbank in Peru uitspraak in de zaak tegen Joran van der Sloot. Die uitspraak zal weinig verrassend zijn. Een gevangenisstraf van om en nabij de 25 jaar en een boete van naar verwachting 50.000 euro. Zijn advocaat, José Jiménez Navarro, hoopt op 21 jaar. De praktijk in Peru is dat bij een volledige bekentenis of “sincere confession” zoals het daar wordt genoemd, ongeveer een zesde van de eis af gaat. Van die straf hoeft Joran als hij zich goed gedraagt naar verwachting slechts een derde uit te zitten. Al met al zal hij dus na een jaar of 10 de deur uitlopen. Nou ja, “uitlopen”? Vermoedelijk zal hij linea recta naar het vliegveld worden gebracht waarna hem het volgende proces te wachten staat. De oplichting van de moeder van Natalee Holloway, die- hoezo toeval? – gisteren “juridisch doodverklaard” is. Joran troggelde haar geld af in ruil voor de belofte prijs te geven waar Natalee Holloway begraven lag.
Wat geen aandacht in de media heeft gekregen is de wel zeer knullige wijze waarop de advocaat van Joran hem heeft verdedigd. Lees verder
Vrijdag 6 januari 2011 begint het geruchtmakende strafproces tegen Joran van der Sloot. Van der Sloot wordt beschuldigd van een brute moord op het Stephany Flores. Het proces wordt gevolgd en van deskundig commentaar voorzien door een Peruviaanse advocaat, Sandro O. Monteblanco. Monteblanco is een kenner van het Peruaanse strafrecht en strafprocesrecht en is als CEO en Senior Partner verbonden aan Law Offices of Montblanc & Associates, LLC in Lima (Peru). Monteblanco treedt bij tijd en wijle op in Amerikaanse nieuwsprogramma’s (ABC) om juridische informatie te verschaffen over het proces. Hij zal ook via deze website de ontwikkelingen in kaart brengen.
Volgens Monteblanco heeft Joran van der Sloot enkele troefkaarten achter de hand en kan nu al worden gezegd dat de opstelling van het Peruaanse Openbaar Ministerie opmerkelijk is. Bepaald niet ondenkbaar is dat tijdens dit proces ook informatie over de verdwijning van Natalee Holloway aan het licht komt. Bij het deskundig commentaar van Monteblanco zullen kanttekeningen worden gezet door strafrechtanalist dr. mr. W. Wedzinga. Een en ander is tevens te volgen via mijn twitteraccount.
Wicher Wedzinga
Vanmiddag is er een persbericht uitgegaan in verband met een uitspraak van de Hoge Raad in een zaak waarin ik wegens schending van het raadkamergeheim terecht stond. Die uitspraak komt er – kort gezegd – op neer dat de strafvervolging en de diverse veroordelingen de schijn van partijdigheid hebben gewekt. De tekst van dit persbericht heb ik in hieronder staan. Omdat een persbericht per definitie beknopt moet zijn, licht ik de gang van zaken rond de uitspraak toe.
Persbericht
Hoge Raad zet streep door veroordeling voormalig raadsheer
De Hoge Raad heeft een veroordeling van voormalig raadsheer Wicher Wedzinga wegens schending van het raadkamergeheim ongedaan gemaakt (zie LJN: BU 3447). In een unieke en opmerkelijke uitspraak zegt het hoogste rechtscollege dat de vervolging en veroordeling van de ex-magistraat partijdig is geweest. Tegen Wedzinga, die als raadsheer was verbonden aan het Hof te Leeuwarden, is namelijk door datzelfde Hof vervolging bevolen en vervolgens heeft opnieuw datzelfde dat Hof hem in hoger beroep veroordeeld. En dat terwijl het Openbaar Ministerie aanvankelijk de zaak had geseponeerd. “Te bizar voor woorden”, aldus Wedzinga.
Het Openbaar Ministerie heeft volgens de Hoge Raad verzuimd om een verzoekschrift in te dienen om de vervolging en berechting door andere rechters te laten plaatsvinden. Een dergelijk verzoekschrift is bedoeld om te garanderen dat een (voormalig) rechter niet door rechters die aan dezelfde rechtbank of hetzelfde Hof waren verbonden, wordt berecht. De Hoge Raad overweegt dat dit verzuim van het Openbaar Ministerie “zozeer in strijd is met een behoorlijke procesorde” dat de veroordelingen door rechtbank en Hof hun geldigheid hebben verloren en gaat zelfs zover dat ook de vervolgingsbeslissing van het Hof Leeuwarden wordt vernietigd.
De ongekend scherpe uitspraak van de Hoge Raad brengt het Openbaar Ministerie en de rechters in Groningen en Leeuwarden in diskrediet. Wedzinga zelf is verheugd dat de Hoge Raad een streep heeft gezet door zijn veroordeling, maar betreurt het dat de Hoge Raad geen inhoudelijk oordeel heeft geveld over de betekenis van het begrip raadkamergeheim en heeft daarom ook bewust geen punt gemaakt van de partijdige aanpak. “Ik heb iemand die ik ooit heb veroordeeld na mijn vertrek bij het Hof geholpen met zijn herzieningsprocedure omdat ik uit latere informatie van advocaat Doedens begreep dat die veroordeling onterecht was”. “Ik heb nimmer de intentie gehad om het raadkamergeheim te schenden en uitsluitend iets over mijn eigen twijfels gezegd. Dat heb ik bovendien publiekelijk gedaan”.
Wedzinga vindt dat er in de loop van de jaren vanuit justitie een soort heksenjacht is op hem is ontketend vanwege zijn kritische houding op het functioneren van het Openbaar Ministerie en de rechters. “Dat zie je bij meer criticasters van het rechtssysteem en in het bijzonder bij hen die het disfunctioneren van het Openbaar Ministerie aan de kaak stellen”. Zo is Wedzinga vervolgd omdat hij een advocaat te kennen had gegeven aangifte te doen wanneer deze door zou gaan met zijn dubieuze praktijken. Uiteindelijk is hij ook daarvan vrijgesproken. En er zijn ook een aantal andere voorbeelden die aangeven hoezeer het Openbaar Ministerie en ex-collega’s het op Wedzinga hebben gemunt.
De voormalige magistraat die nog steeds een landelijke reputatie geniet als een van de beste juristen van ons land vindt wel dat nu de tijd rijp is om tegen dergelijke “ziekelijke” praktijken juridisch te ageren. “Ik heb lang gewacht, maar nu is het tijd voor actie”, aldus Wedzinga, die zegt dat hij n.a.v. deze uitspraak van de Hoge Raad schadevergoeding zal eisen en degenen die verantwoordelijk zijn voor de klopjacht aansprakelijk zal stellen.
Wedzinga hoopt dat de Hoge Raad van de rechtsbescherming van burgers meer werk maakt. “Ik ken een aantal rechterlijke dwalingen en beslissingen die in een land dat pretendeert een rechtsstaat te zijn, niet door de beugel kunnen. Als voorbeeld noemt hij de Deventer Moordzaak en de volgens hem ondeugdelijke veroordeling van Louis Hagemann”. Het rechtssysteem loopt volgens Wedzinga aan alle kanten uit de rails, is verouderd en te veel op repressie toegesneden, waarbij politie en justitie de dienst uitmaken zonder dat zij worden gecontroleerd en waarbij de rol van de rechter in toenemende mate is geminimaliseerd. “Voeg daarbij de onjuiste beeldvorming door de media en het politieke opportunisme en je hebt alle ingrediënten voor een systeem dat zich meer en meer ontwikkelt tot een politiestaat”, aldus de voormalige magistraat en strafrechtdeskundige. “We hebben een financiële crisis, een politieke crisis, maar menigeen vergeet dat we al sinds jaar en dag ook een crisis hebben die de fundamenten van ons rechtssysteem raakt. Ernest Louwes en een groot aantal anderen zijn daarvan de dupe geworden. Dat is veel belangrijker dan wat mij is overkomen”.
Meer informatie:
Mr. J.P. Plasman
Tel: 020-6731548
Toelichting
In technisch-juridische zin is deze uitspraak opmerkelijk, niet alleen vanwege de cassatietechnische afdoening, maar ook omdat de Hoge Raad een extensieve interpretatie voorstaat van artikel 510 Wetboek van Strafvordering. In gewoon Nederlands komt dat laatste er op neer dat de Hoge Raad van mening is dat ook voormalige rechters, die na hun ontslag uit de Rechterlijke Macht verdacht worden van een ambtsmisdrijf, recht hebben op vervolging voor een andere gerecht dan dat waarvoor zij werkzaam waren en ook voor een ander gerecht binnen het ressort waarin zij functioneerden. Voor dat laatste is de verzoekschriftprocedure van artikel 510 Wetboek van Strafvordering bedoeld.
Dat recht is in deze zaak met voeten getreden. De rechtbank Groningen en het Hof Leeuwarden hebben zich ten onrechte met de zaak bemoeid. Het Hof Leeuwarden zelfs tot twee keer aan toe, terwijl de aangifte nota bene was gedaan door een raadsheer en voormalige collega van dat Hof. En het Openbaar Ministerie heeft de schijn van partijdigheid gewekt door geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om door het indienen van een verzoekschrift een ander (onpartijdig) gerecht in te schakelen. Of dat laatste willens en wetens is gebeurd, kan ik niet beoordelen.
Zeer opvallend bij dit alles is de rol van raadsheer Buruma. De voormalige hoogleraar strafrecht was als rechter bij de beslissing van de Hoge Raad betrokken, maar had in een eerder interview met journalist Micha Kat de veroordeling van mij wegens schending van het raadkamergeheim gebillijkt. Dat interview vond plaats op een moment dat Bururma al was benoemd tot raadsheer bij de Hoge Raad. Het kan kennelijk verkeren. Maar het is in wezen onbestaanbaar dat iemand die deel uitmaakt van de Hoge Raad al een oordeel heeft gegeven over een rechterlijke uitspraak die nog door diezelfde Hoge Raad en dan ook nog door een kamer waarvan hij deel uitmaakt, moet worden beoordeeld.
Wat ik meen te moeten constateren is dat de laatste jaren alles uit de kast is gehaald om mij in een kwaad daglicht te stellen. Dat ik fouten heb gemaakt, staat buiten kijf. Maar dat moet wel in proportie worden gezien. Zo ben ik vervolgd – het persbericht maakt er melding van – omdat ik een advocaat die er dubieuze praktijken op nahield, had opgebeld en uit naam van een cliënt van mij heb gevraagd daarmee op te houden omdat ik anders aangifte bij de politie zou doen. Dat leidde tot een strafvervolging van mij wegens poging tot dwang. Te gek voor woorden. Eerst in hoger beroep ben ik daarvan vrijgesproken. Mijn advocaat Peter Plasman gaf op de zitting een voorbeeld uit zijn eigen praktijk, waarin een cliënt een heel dossier had gestolen en hij die cliënt sommeerde om het dossier binnen een uur op kantoor terug te brengen omdat hij anders de politie zou bellen.
Deze strafvervolging vond ik veelzeggend. Maar zij staat niet op zichzelf. Ik ben bepaald geen complotdenker, maar het is toch minst genomen opzienbarend te noemen dat er een reeks vergelijkbare incidenten ontstonden, waarbij ik mij telkens moest verantwoorden voor … inderdaad, de rechtbank Groningen en het Hof Leeuwarden. Ik meen dan ook dat De Hoge Raad de extensieve interpretatie van artikel 510 Wetboek van Strafvordering niet had mogen beperken tot ambtsmisdrijven. Waar de schijn van partijdigheid centraal staat, is die koppeling niet overtuigend. Een rechter of voormalige rechter dient gevrijwaard te worden van strafvervolging voor het gerecht waarbij hij werkzaam was of voor een gerecht binnen het ressort waarbij hij werkzaam was. Ook bij commune misdrijven en overtredingen wordt de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling gewekt. Hier rust een schone taak voor het EHRM.
De stalking bleef echter niet beperkt tot instanties als politie en justitie. De Wet van Murphy gold in optima forma. Zo kwam ik er achter dat een voormalige werknemer van mij, die ik moest ontslaan, en die internet vervuilde en vervuilt door overal de meest liederlijke onzin te verspreiden en dat te larderen met allerlei beledigingen die één voor één rijp zijn voor een strafrechtelijke veroordeling, een wikipediapagina over mij had opgesteld. Hij ook was er als de kippen bij om belastende getuigenverklaringen tegen mij af te leggen, die zonder hem te horen, klakkeloos door (jawel) het Hof Leeuwarden zijn overgenomen. Ik zou, volgens hem, een cliënt van ons juridisch advieskantoor hebben opgelicht, door mij voor te doen als advocaat en door vervolgens een exorbitant bedrag in rekening te brengen. Dat bedrag was inderdaad hoog, maar was destijds door mijn “zakenpartner” en een kennis van hem berekend op basis van mijn juridische know-how. Het stond gewoon in de voorwaarden van de maatschap en op de website en het heette “marktconform” te zijn. De cliënt zelf was eerlijk op de zitting en verklaarde dat hij er van uitgng dat ik advocaat was, omdat het kantoor die uitstraling had en omdat ik door mijn vakkennis zo overkwam. Voor (jawel) het Hof Leeuwarden geen beletsel om tot het oordeel te komen dat ik mij als advocaat had voorgedaan. Mij werd eveneens poging tot afdreiging aangewreven. Die poging tot afdreiging (het geen wezenlijk iets anders is als poging tot afpersing,) betrof een advocaat die geld van de derdenrekening van het kantoor had gegeven aan een cliënt, die naam en faam geniet als de grootste cocaïnehandelaar in Friesland. Wederom dreigde ik de politie in te schakelen. Dat heb ik nu wel afgeleerd.
Ik ben van dit alles geen cent wijzer geworden. Nog geen euro heb ik in eigen zak gestoken. Dat is dan ook niet bewezen verklaard. Maar het heeft wel een klimaat geschapen waarin getracht werd mij de mogelijkheden te ontnemen om een nieuw bestaan op te bouwen. Het meest ben ik nog getroffen door het feit dat ik door de commotie die is ontstaan al vele jaren mijn kinderen niet heb gezien. Ik wil echter niet de zuurpruim uithangen en mij als slachtoffer manifesteren. Wat mij is overkomen staat in geen verhouding tot wat anderen hebben meegemaakt. Mijn vakkennis is buiten alle twijfel verheven en ik kan daardoor het hoofd boven water houden. Maar dit alles geeft veel stof tot denken en tot actie. Een actie die in het teken moet staan aan een opbouwende, kritische herbezinning op de grondslagen van het strafrecht en het strafprocesrecht. Het huidige kabinet staat een catastrofale politiek voor, zeker op de lage termijn. Maar dat is stof voor een andere bijdrage.
De rechtbank Amsterdam gunt de ouders van de slachtoffers van Robert M. het spreekrecht. Maar een wettelijke basis daarvoor bestaat niet. Sterker nog: de wetsystematiek verzet zich tegen het toekennen van een dergelijk (afgeleid) spreekrecht en een wetsvoorstel om dat spreekrecht wel te regelen is nog in de maak. Volgens de rechtbank zou er sprake zijn van een “uitzonderlijke situatie”, die deze beslissing rechtvaardigt. De reden is dat naleving van de wet in dit geval een ongewenste situatie op zou leveren, aldus de rechtbank. Vrijwel alle slachtoffers in de zedenzaak zijn namelijk zeer jong en niet in staat zich uit te drukken. Strikte naleving van de wet zou daarom tot ongewenste resultaten leiden en derhalve komt de ouders van de zeer jonge slachtoffers spreekrecht toe. Daarmee begeeft de rechtbank zich op glad ijs en ziet de rechtbank een elementaire wettelijke motveringseis over het hoofd.
Zonder al te veel in techniek te vervallen, komt de wetgeving in essentie hierop neer. Sinds 2005 hebben slachtoffers en nabestaanden het spreekrecht gekregen. De regeling is tamelijk versnipperd over het Wetboek van Strafvordering verspreid en zal binnenkort worden herverkaveld. Slachtoffers en nabestaanden kunnen naar geldend recht hun zegje doen over de emotionele, psychische en sociale gevolgen die zij van het strafbare feiten hebben ondervonden. Dat kan mondeling of schriftelijk. Zij mogen daarover niet worden ondervraagd. Zo gezien is van een verhoor geen sprake. Voor de verdediging is dat een handicap.
Op basis van de huidige wetgeving heeft een minderjarig slachtoffer van 12 jaar en ouder ook spreekrecht. Maar voor een minderjarige die jonger is dan 12 jaar geldt dat hij of zij slechts dan spreekrecht heeft wanneer de rechter hem of haar “in staat acht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake”. De rechter moet dus taxeren of de minderjarige beseft wat het afleggen van een verklaring op de terechtzitting behelst. Of de rechter, die niet of nauwelijks over psychologische bagage beschikt, daartoe in staat is, mag worden betwijfeld. Indien de rechter de minderjarige daartoe niet in staat acht, is de kous af. De vader of moeder heeft in dat geval geen (afgeleid) spreekrecht.
De rechtbank Amsterdam lapt deze regeling echter aan haar laars en preludeert op toekomstige wetgeving, waarin de ouders van een minderjarige die jonger is dan 12 jaar wel het spreekrecht mogen uitoefenen. Dat zal in de ogen van de goegemeente een sympathieke beslissing zijn, maar juridisch is zij ondeugdelijk. Alleen al omdat de rechtbank dat recht toekent zonder dat zij nagaat en motiveert of de kinderen in staat zijn tot een redelijke belangenafweging. De rechtbank omzeilt dus niet alleen de wettelijke regeling, maar ontduikt die regeling zelfs. Zij loopt vooruit op toekomstige wetgeving, die nu juist (o.a.) voor deze zaak is bedoeld. Door dat te doen is niet meer sprake van een vertegenwoordigingsconstructie, maar van een zelfstandig recht. Een beslissing contra laegem.
Bovendien zet de rechtbank met deze beslissing zelfs de rechterlijke onpartijdigheid op het spel, waardoor de zaak kan stuklopen. Want de rechtbank neemt een beslissing die te veel ruimte biedt aan de rechterlijke overtuiging. Die overtuiging dient volgens de wet te zijn ontleent aan wettige bewijsmiddelen (“het wettig en overtuigend bewijs”) en niet omgekeerd. Nu dreigt de menselijk gezien alleszins begrijpelijke neiging te ontstaan om na de ongetwijfeld hartverscheurende verhalen van de ouders van de slachtoffers, op basis van de overtuiging het bewijs te construeren. Niet alleen de beslissing over de strafmodaliteit, maar ook de bewijsbeslissing wordt daardoor gedicteerd. Het is bijna een uitnodiging om de rechters te wraken.
Bij dit alles dient bedacht te worden dat Robert M. verdachte is een geen dader. Hij heeft dan wel bekend, maar wat heeft hij bekend en is die bekentenis wel waar. Er zijn meer zaken bekend waarin valse bekentenissen zijn afgelegd. Niet alleen in de Puttense moordzaak speelde dit een rol. Maar ook als er van uit wordt gegaan dat de afgelegde bekentenissen waar zijn, en dat lijkt het geval te zijn vanwege de aanwezigheid van steunbewijs, dan nog heeft ook en misschien juist in deze zaak te gelden dat van de onschuld van de verdachte dient te worden uitgegaan. De rechters dienen onpartijdig te zijn en een professionele afstandelijkheid en distantie in acht te nemen, hoe moeilijk dat ook is. Die professionele distantie lijkt hier ver weg, met alle gevolgen van dien.
Het is vloeken in de kerk, ik weet het. Maar het is meer dan ooit wenselijk en noodzakelijk aan het verschoningsrecht van journalisten duidelijke grenzen te stellen. Want de vrijheid van meningsuiting waarop het journaille zich zo gretig beroept, is uitgemond in een vrijbrief om met een beroep op anonieme bronnen mensen aan de schandpaal te nagelen. In het tv-programma Zembla werd de Telegraafjournalist Martijn Koolhoven ontmaskerd, die met een beroep op niet bestaande anonieme bronnen karaktermoord pleegde op fotograaf Leo de Deugd, met wie een vriend van Koolhoven nog een appeltje te schillen had. Het doet denken aan de praktijken van Rupert Murdoch en zijn schandaalblad News of the World. Wie meent dat het in ons land zo’n vaart niet loopt is naïef. De koppensnellers en journalisten van De Telegraaf en andere kranten hebben maar een doel en dat is entertainment en verkoopcijfers. Vaak zonder gedegen opleiding en meestal zonder grondig en objectief onderzoek, verrichten de Schreibtischmörders hun abjecte werk. Dat is in deze tijd waarin de wereld radicaal lijkt te veranderen een doodzonde. Er is behoefte aan goede voorlichting en kritisch onderzoek, maar die is alleen over de grens in kranten als the New York Times en bij CNN, de BBC en Al Jazeira te vinden. Nederlandse kranten, talkshows en actualiteitenprogramma’s zijn daarvan slappe aftreksels.
Zolang deze schrijnende oppervlakkigheid wordt gebillijkt, zijn we aan de middelmaat overgeleverd. De media regeert en bepaalt onze perceptie, maar diezelfde media is “van God los” en de leugen regeert vaker dan mij lief is. Er zijn geen grenzen aan wat journalisten wel en niet mogen doen, in die zin dat die grenzen thans niet op een duidelijke wijze zijn gemarkeerd. Een eerste aanzet tot kwaliteitsverbetering is het limiteren van de bijkans ongebreidelde vrijheid die de media geniet. En uiteraard dient de opleiding te worden verbeterd. Veel journalisten en interviewers hebben geen wetenschappelijke attitude en missen het niveau en de vakkennis om een onderwerp uit te diepen. Een zelfde euvel waaraan overigens ook veel leden van de Tweede Kamer mank gaan. Marginale intellectuelen als Bert van der Veer en John de Mol gaan door het leven als genieën die onze wereld verrijken. De gesjeesde student Matthijs van Nieuwkerk bespreekt de omwenteling in Libië en de liquidatie van Khadaffi in een paar minuten met schreeuwlelijk Prem Rhadakishun and Martin Simek.
Zolang in deze situatie geen verandering komt, zullen ook de media ter verantwoording moeten worden geroepen. Dat kan op verschillende manieren. In het Nederlandse recht is bijv. de bronbescherming niet nationaal-wettelijk gegarandeerd, maar gekoppeld aan het in artikel 10 EVRM verankerde recht op vrijheid van nieuwsgaring. Dat recht is echter in die verdragsbepaling begrensd en in de daarop gebaseerde rechtspraak zowel van het EHRM als van de Hoge Raad lijkt vooral het accent te worden gelegd op het beschermen van informatie die de nationale veiligheid betreft.
Daarbij wordt echter in de eerste plaats miskend dat de meeste slachtoffers van de koppensnellers “gewone burgers” zijn, die soms met naam en toenaam in de pers worden opgeofferd. Een smeuiïg verhaal gaat immers voor alles. De schade is onherstelbaar als het beeld eenmaal op het netvlies van de krantenlezer is ingebrand. En juridisch verhaal halen, kan het slachtoffer in ons rechtsstelsel in beginsel wel vergeten. En dat geldt niet alleen voor de schrijvende pers. Tv-programma’s als De Wereld Draait Door, Nieuwsuur en Pauw en Witteman doen daar wezenlijk niet veel voor onder. Het is tekenend voor het niveau van journalistiek in Nederland. Alles moet snel, diepgang ontbreekt.
In de tweede plaats wordt miskend dat de journalist niet meer de integere op waarheidsvinding beluste onderzoeker is, waarvan de rechters kennelijk meestal uitgaan. Essayist Ian Buruma heeft dat ooit treffend onder woorden gebracht. In zijn boek “Het circus van Max Beckmann” toont hij op overtuigende wijze aan dat de grenzen tussen nieuws en entertainment zijn vervaagd. Een vage echo hiervan is te horen in het boek van Joris Luyendijk over de mores op het Binnenhof. De banden tussen de media en degenen die zij kritisch behoren te volgen zijn dermate verknoopt, dat kritische nieuwsvoorziening ook op dat terrein een uitzondering is.
Gelet op het voorgaande zou ik menen dat de vrijheid van de media het grootst dient te zijn daar waar zaken in het geding zijn die de veiligheid van de staat betreffen. Maar als het gaat om zaken waarin de privacy van burgers in het geding is, dienen de eisen te worden opgeschroefd. Een virtuele moord op burgers met een beroep op anonieme bronnen lijkt mij uit den boze. Zeker wanneer er geen gedegen onderzoek aan ten grondslag ligt, zoals zo vaak het geval is. De talrijke burgers die op deze manier op het slachtblok zijn gelegd moeten hun gram bij de rechter kunnen halen. Een civiele of strafrechter die dan geen boodschap heeft aan het halfzachte beroepsgeheim van de journalist of programmamaker. Hij of zij zal, eventueel achter gesloten deuren, zijn bronnen moeten openbaren.


