Cybercrime en terrorisme: het armageddon van de toekomst?

James Comey

 

 

 

 

 

James Comey (Director FBI)

 

Na de verschrikkelijke gebeurtenissen in o.a. Parijs en Brussel en vooral niet te vergeten de massaslachtingen in Syrië en Beiroet, is de aandacht meer dan voorheen gevestigd op het terrorisme van radicale moslimgroeperingen, zoals ISIS. Aan dit gebeurtenissen en alle verschrikkingen die dit soort beesten hebben aangericht, lijkt een strategie ten grondslag te liggen. En ook al is dat niet het geval, het is meer dan ooit zaak om alles in het werk te stellen om deze vorm van terrorisme de kop in te drukken. Rechtsstatelijke offers zijn daarbij onvermijdelijk, waarbij ik vooral denk aan het recht op privacy. Dat recht zal onvermijdelijk aan inflatie onderhevig moeten worden gemaakt. Safety first, al is het uiteraard zaak om het veiligheidsconcept te definiëren en niet te verabsoluteren.

Bij dit alles is de impact die deze rituele slachtingen hebben door de aandacht in de social media en in de mainstreammedia van cruciaal belang. Want daar is het dit soort groeperingen vooral om te doen: ontwrichten van de samenleving, het zaaien van angst en paniek. En in de huidige tijd zijn zeker de mainstreammedia gericht op sensatie en kijkcijfers dan wel oplagecijfers. Om het enigszins provocatief te zeggen: er is een onvermijdelijk samenwerkingsverband tussen ISIS en de media. Aandacht is aldus verzekerd. En de social media, die steeds belangrijker worden, doen daar nog een duchtig schepje bovenop.

Vergis u vooral niet! De barbaren worden wel degelijk geleid door mensen die bepaald niet dom zijn. Die goed thuis zijn in de wereld van het ICT, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nadenken over een strategie en die die strategie voortdurend veranderen. Van onthoofdingen die pontificaal op internet worden gepubliceerd en gedupliceerd tot bomaanslagen/spreekillling op soms onverwachte locaties en met soms bijzondere middelen (de vrachtauto in Nice). Maar het einde is nog lang niet in zicht. Op 7 september a.s. wordt er in het kader van de Publieksacademie voor de rechtspraak een lezingenserie gewijd aan cybercrime. De serie is een initiatief van het Dagblad van het Noorden in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen, de rechtbank Noord-Nederland en het Openbaar Ministerie. Op zichzelf een uitstekend idee. Maar toen ik de aankondiging las, steeg mijn verbazing tot grote hoogte. Zo besteed hoogleraar Wolswijk aandacht aan de strafbaarheid van virtuele diefstal en heeft hij het over hacken, tappen, computervredebreuk, kinderporno en grooming. Dan hebben we het juridisch gezien dus over extensieve interpretatie versus analogische interpretatie, de toepasselijkheid van artikel 1 lid 1 Sr, de verhouding wetgever-rechter etc. Officier van justitie Egberts heeft het over ransomware en noemt in dat verband bedrijven en instellingen. Al met al bijna lachwekkend naïef in deze tijd. Een probleemdefinitie heb ik niet kunnen ontdekken in de aankondiging en, belangrijker nog, de opzet van de lezingen is ronduit amateuristisch en aan het veruit belangrijkste gevaar van cybercrime wordt niet eens aandacht besteed. Dat is het gevaar dat radicale moslimgroeperingen als Isis gebruik maken van het internet (o.a. the dark web) om slachtingen aan te richten die de verschrikkingen van de atoombommen in Hiroshima en Nagasaki doen verbleken.

In de Verenigde Staten is men een stuk verder en wordt hieraan juist veel aandacht besteed. De meeste aandacht. Nederland blinkt als gezegd vooral uit in amateuristisch geneuzel. Op 27 juli 2016 is in New York een congres gehouden waarin vooraanstaande deskundigen een realistisch beeld schetsten van het Armageddon dat ons te wachten staat. Ik wil u de ruwe contouren van dat beeld niet onthouden (mede) omdat het ook ons raakt.

Een van de sprekers was FBI Director James Comey. Lees verder

Europese Hof legt persvrijheid aan banden

Het EHRM legt de persvrijheid meer en meer aan banden. Ik heb het dan over berichtgeving in strafzaken. Altijd al een smeuïg onderwerp voor menig journalist. Het spreekt tot de verbeelding, krikt de oplagecijfers c.q. kijkcijfers omhoog en kennis van zaken lijkt nauwelijks een rol van betekenis te spelen. Al ruim voordat de rechter zich op de zitting over de strafzaak heeft gebogen, wordt de zaak in de pers breed uitgemeten. Sporadisch komt een deskundige aan het woord. Meestal gaat het dan om deskundigen die door ingewijden niet echt serieus worden genomen. Waar het om gaat is dat die deskundige in staat is om in een paar pakkende volzinnen de zaak te simplificeren. Dergelijke simpele zielen zijn zeldzaam, maar in de kaartenbak van de journalist bekleden ze een vooraanstaande positie. De kwadratuur van het simplisme.

Er kleven tal van gevaren aan deze vorm van journalistiek. En in toenemende mate stelt het EHRM er grenzen aan. Een goed voorbeeld is de zaak Bédat vs Switzerland, waar de Grand Chamber van het Europese Hof een unieke en (bewust?) onderbelichte uitspraak heet gedaan. De zaak dateert van 29 maart 2016 (application number 56925/08). Terwijl het (vertrouwelijke) opsporingsonderzoek nog volop gaande was, publiceerde Bédat in 2003 een artikel over een gruwelijk verkeersongeval, waarbij iemand was ingereden op een groep voorbijgangers. Drie van hen waren op slag dood en acht raakten zwaargewond. De automobilist had zich vervolgens van de brug gestort. Het artikel (“Tragedy on the Lausanne Bridge) bevatte vertrouwelijke informatie, zoals een samenvatting van de vragen en antwoorden tijdens het politieverhoor en het “preliminary” verhoor door de rechter. Ook was te lezen waarvan de verdachte werd beschuldigden dat hij geen spijt had. Wat foto’s moeten het toch al spraakmakende stuk opleuken. Ongetwijfeld allemaal informatie afkomstig uit een vertrouwelijke bron, want ook in Zwitserland wordt er door politie en justitie gelekt bij de vleet. Maar uiteraard een geheide kaskraker voor de krant.

Hoewel de verdachte civielrechtelijk had kunnen ageren tegen de journalist, zag hij daarvan af. In plaats daarvan besloot de officier van justitie de journalist Bédat strafrechtelijk te vervolgen voor het lekken van vertrouwelijke informatie. Bédar werd in tot in hoogste instantie veroordeeld en stapte vervolgens naar het EHRM. Daar had hij het twijfelachtig genoegen dat zijn zaak uiteindelijk werd beoordeeld door de Grand Chamber. Uitspraken van de Grand Chamber meer nog dan uitspraken van het ECHR een gezaghebbend karakter. En die uitspraak van de GC is in meer dan een opzicht opmerkelijk. Lees verder

De dynamische verkeerscontrole en proactieve opsporing

Vorige week is er veel te doen geweest over een conclusie van AG Harteveld. Die conclusie betrof de vraag of een dynamische verkeerscontrole juridisch door de beugel kon. In het kader van een dergelijke controle wordt gebruik gemaakt van de controlebevoegdheden die zijn gebaseerd op art. 160 WVW 1994 met het doel om na te gaan of er mogelijk sprake is van strafbare feiten. Een soort strafvorderlijke fishing expedition. In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of de overheid gebruik mag maken van controlebevoegdheid (mede) in het kader van “proactieve” opsporing. Het Hof dat enigszins slordig spreekt van “opsporing” kwam tot de slotsom dat de overheid over de schreef was gegaan. De AG meende van niet. En het laatste woord is nu aan de Hoge Raad.

Een resume van de casus levert het volgende beeld op. Na een briefing waarin werd afgesproken dat een dynamische verkeerscontrole zou worden gehouden om criminelen af te schrikken, zagen verbalisanten op een “sleutelplaats” een “opvallend dure” BMW waarin zich, naar de opvatting van de verbalisanten, wat onorthodoxe inzittenden bevonden rijden en besloten zij een stopteken te geven en de bestuurder staande te houden. Een van de verbalisanten deed vervolgens via de portofoon navraag over het kenteken van de auto. Het bleek om een auto van [A] BV te gaan, een firma waarvan, naar de verbalisanten bekend was, veel criminelen gebruik maakten. Twee andere verbalisanten gaven de bestuurder een stopteken teneinde een verkeerscontrole uit te voeren. Een van hen deelde de bestuurder, die later verdachte bleek te zijn, mede dat hij in verband met een verkeerscontrole staande was gehouden en vorderde inzage in diens rijbewijs en in de kentekenpapieren van het voertuig. Nog steeds geen redelijke verdenking, maar een controle. Dezelfde verbalisant vroeg de bestuurder en de bijrijder toestemming om hen te fouilleren en de auto te doorzoeken. Die toestemming werd gegeven. Bij de doorzoeking werd in de achterbak een tas met wiet en cannabistoppen aangetroffen. Vervolgens werden bestuurder en bijrijder aangehouden. Een controle waarbij controlebevoegdheden werden uitgeoefend en een zoeking waarvoor toestemming was gegeven. Mij een raadsel wat hier mis mee is. Van reactieve opsporing is immers geen sprake. En voor een controle is geen verdenking vereist. Als geen toestemming voor de zoeking was verleend, hadden de verbalisanten, zo komt het mij voor, met lege handen gestaan. De zoeking was dan onrechtmatig geweest.

Het Hof kwam niettemin tot een vrijspraak omdat er sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid en het onrechtmatig verkregen bewijs niet mocht worden gebruikt nu er weliswaar regulier was gecontroleerd, maar van (een, WW) daadwerkelijke controle op de naleving van de verkeersvoorschriften geen sprake is; daarin is de politie kennelijk niet geïnteresseerd. Om de schijn op te houden dat dit wel het geval is, worden een surveillanceauto en agenten in uniform ingezet”. Een innerlijk tegenstrijdige en m.i. verbijsterende juridische miskleun Lees verder

De scheve schaats van het Openbaar Ministerie: procedural misconduct

Het Openbaar Ministerie wordt wel de spin in het web van de strafrechtspleging genoemd. En daar is alle reden voor. Want de beslissing om iemand wel of niet te vervolgen ligt bij het Openbaar Ministerie evenals de beslissing waarvoor iemand wordt vervolgd. Tel daarbij op dat het Openbaar Ministerie zelf ook in de loop der jaren voor rechter mocht gaan spelen en dat het strafrechtelijk onderzoek, dat steeds meer inquisitoire kenmerken vertoont, onder leiding van dat Openbaar Ministerie plaatsvindt, en zo zachtjes aan ontstaat het beeld van een Kafkaiaans instituut dat een enorme macht heeft. Een beeld dat wordt versterkt wanneer men zich realiseert dat in de loop er jaren steeds meer ingrijpende beslissingen aan dit machtsbolwerk zijn toevertrouwd. Van een controle op een rechtmatige toepassing ervan is bovendien nauwelijks sprake, ook al omdat art. 12 Sv weinig om het lijf heeft.

De leden van het Openbaar Ministerie maken deel uit van de Rechterlijke Macht en worden als zodanig geacht een zekere mate van onpartijdigheid te hebben. Maar al te vaak een reden voor de wetgever om bevoegdheden aan het Openbaar Ministerie toe te delen. De praktijk geeft een ander beeld te zien. Uiteraard is het Openbaar Ministerie erop uit om een zaak die het op de zitting brengt, tot een goed einde te brengen. En een goed einde betekent: een veroordeling. Daarbij is een officier van justitie vaak weinig of niet ontvankelijk voor argumenten van de verdediging. In wat minder tot de verbeelding sprekende zaken, wil een officier nog weleens principieel zijn. Maar in de bulk van de zaken staat de afloop vast. Een dergelijke processuele positionering is bepaald niet magistratelijk en rechtsstatelijk gezien ronduit gevaarlijk. Het Openbaar Ministerie is een staat binnen de staat geworden. Want ook officieren van justitie gaan soms over de schreef of zoeken in ieder geval de grenzen van de wet op. Een tot de verbeelding sprekend voorbeeld ervan is Fred Teeven, een voormalig officier van justitie en in een later leven staatssecretaris van justitie en veiligheid. Hij laat zich erop voorstaan ‘crimefighter’ te zijn. Wat zoveel betekent dat hij zich weinig aan de wet gelegen laat liggen en zich gedraagt als een olifant in de porseleinkist van het Wetboek van Strafvordering.

De strijd die met name in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw binnen het Openbaar Ministerie heeft gewoed tussen de ‘rekkelijken’ (Teeven) en de ‘preciezen’ is, zo komt het mij voor, door de eerstgenoemde categorie glansrijk gewonnen. En dat met welwillende medewerking van het parlement, dat zich van de waarschuwingen van Van Traa weinig heeft aangetrokken en in de afgelopen decennia het Wetboek van Strafvordering dusdanig heeft opgerekt en ontrafeld, dat niet alleen de systematiek en daarmee de rechtszekerheid ver te zoeken is, maar dat het ook een breed scala aan opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen bevat waarvan politie en Openbaar Ministerie gebruik kunnen maken. Niet zelden zonder adequate (voorafgaande) rechterlijke controle. Geen wonder dat het met een zekere regelmaat faliekant misgaat. Immers: power corrupts; absolute power corrupts absolutely. Lees verder

Interview Mr. Dr. Wicher Wedzinga: “Helaas is de kans groot dat Wilders veroordeeld wordt”

Door: Dr. R. van der Noort in het blad “Jalta” d.d. 15 april, 2016

Het is heel normaal: Nederlanders die wat bereikt hebben genadeloos neersabelen. Daarnaast is het normaal om getalenteerde veroordeelde mensen voor altijd af te schrijven. Om dit tegen te gaan vandaag deel 4 in de serie: Wicher Wedzinga, veroordeelde rechter. Tien jaar later heeft Wicher zijn leven weer op de rit. En wat kunnen wij van hem leren over deze periode? En wat is zijn visie op actuele juridische thema’s?

Er zijn van die stereotypische zaken in het leven. Een economische faculteit die failliet is, een ziekenhuis met een hoog ziekteverzuim en een autohandelaar die met de fiets naar zijn werk komt. De winnaar in deze categorie is zonder enige twijfel Wicher. De geboren en getogen Groninger was namelijk docent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam. In 1994 werd hij rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Leeuwarden. Vanaf 2000 was hij voltijds raadsheer in het gerechtshof Leeuwarden. En gerenommeerd persoon in de rechterlijke macht, tot die ene avond. Het gevolg: een veroordeling door de rechtbank Zwolle-Lelystad wegens mishandeling van een vriendin uit Oekraïne. Van strafrechter naar veroordeelde door het strafrecht. “Ik ben helaas behept met een ernstige chronische depressie met hypomane trekken. Die depressie is erfelijk bepaald en laaide in die periode op. Met de depressie zal ik vermoedelijk moeten leren leven. Ik heb het al vanaf mijn jeugd, al merkte ik daar lange tijd niets van. Ik heb er mee leren omgaan. Wim Brands heeft onlangs zelfmoord gepleegd nadat hij, volgens berichten, aan een kortstondige depressie leed. Een depressie zelf is eigenlijk niet te bevatten voor iemand die er geen last van heeft. Zelf vind ik de meest adequate omschrijving terug in het gezegde: “Some people feel the rain, others just get wet”. Wedzinga is tegenwoordig werkzaam als wetenschappelijk adviseur en als deeltijd hoogleraar Comparative Criminal law aan de Universiteit van Michigan. Elsschot is zijn literaire favoriet door de combinatie van weergaloze zelfspot en humor en ook leest hij graag Tolstoj, Dostojevski en Boelgakov.

Wat zijn de lessen die je als persoon hebt geleerd van de donkere periode uit je leven en hoe gebruik je dit nu in je werk als adviseur?

“Ik ben na een jarenlange strijd milder geworden. Minder zwart-wit gaan denken. Niet in de softe zin van het woord, maar de scherpe randjes zijn eraf. Ook mijn kijk op mensen is, denk ik, anders. Naar mijn bescheiden mening ben ik wat spiritueler geworden en ik zou -hoe merkwaardig het ook mag klinken- een betere rechter zijn dan destijds. In die zin dat ik maar al te goed besef hoe je leven opeens ten goede of ten kwade kan veranderen. Ik adviseer advocaten en verdachten en geef colleges waarin ik  rechtssystemen vergelijk. Uiteraard toegespitst op het terrein van het strafrecht. De vraag of, en zo ja, in hoeverre die donkere en trieste periode in mijn leven als het ware doorwerkt is even interessant als moeilijk. Ik denk dat ik meer in balans ben en me minder aantrek van wat andere mensen vinden of denken. Daardoor sta ik steviger in mijn schoenen en dat is te lezen in mijn adviezen. Zo neem ik veel eerder dan vroeger een uitgesproken standpunt in, ook al is er verschil van mening mogelijk.”

In het Tv-programma “Kijken in de ziel van rechters (2015)” werd er bevestigd door enkele rechters dat de invloed van media op de uiteindelijke veroordeling aanwezig is. Het concrete voorbeeld was de veroordeling van Mohammed Bouyeri voor de moord op van Gogh tot levenslang, waarbij de maatschappelijke druk (aangewakkerd door de media) nadrukkelijk heeft meegespeeld. Hoe kijk je aan tegen de relatie media-rechtspraak? Lees verder